
Wet inzake de geldtransactiekantoren
Artikel 9
1
Onze Minister kan, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bij deze wet opgelegde taak, regels stellen met betrekking tot de bedrijfsvoering en de administratieve organisatie van geldtransactiekantoren, daaronder begrepen de financiële administratie en de interne controle. Onder de regels met betrekking tot de bedrijfsvoering worden mede begrepen regels met het oog op een integere bedrijfsvoering, waaronder in ieder geval worden verstaan regels ter zake van:
a
het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;
b
het voorkomen van betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in het geldtransactiekantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden;
c
het voorkomen van betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in het geldtransactiekantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden;
d
het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van het geldtransactiekantoor.
2
Een geldtransactiekantoor zendt binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn aan Onze Minister een rapportage omtrent haar bedrijfsvoering en administratieve organisatie. Onze Minister bepaalt de wijze waarop de rapportage geschiedt en de perioden waarop de rapportage betrekking heeft.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.